
Canonvenster: 1500 – Turf, de motor van de economie
Actueel 91 keer gelezenZoetermeer - Tweewekelijkse rubriek over de 50 vensters van de Zoetermeerse Canon. Deze bijdrage is geschreven door Lex Biemans.
In de canon van de Nederlandse geschiedenis worden wel kolen en aardgas als brandstof nadrukkelijk vermeld maar er is bijna niets over turf geschreven. In de canon van de geschiedenis van het “Groene Hart” van Holland is als belangrijk onderwerp “Natte vervening” vanaf het jaar 1530 genoemd, want vanaf dat jaar maakte die natte vervening, ook wel slagturven met behulp van een baggerbeugel geheten, opgang. Het Groene Hart is feitelijk het resultaat van die natte vervening.
De geschiedenis van het turfsteken is ook de geschiedenis van Zoetermeer. Van een vissersdorp aan het Zoetermeerse Meer veranderde Zoetermeer aan het begin van de 16e eeuw in een centrum van handel en landbouw en de vraag naar brandstof trok enorm aan dus werd turfsteken een belangrijke industrie. Turf werd zelfs de motor voor de economische ontwikkeling van Holland. Maar het begon allemaal veel eerder met de boeren met een akkerbouwbedrijf. Zij droogden uitgegraven stukken veen van hun eigen grond en gebruikten dat als brandstof voor zichzelf. Er waren toen geen bossen om hout te kappen. Er was alleen sprokkelhout van wilgen en elzen. Eerst staken de plattelanders turf achter hun akkerland in de wilde venen maar in de loop van de 14e eeuw meer en meer op het eigen land want dat land was niet echt geschikt voor graanteelt en die wilde venen raakten snel op. Uit oude documenten blijkt dat rond het jaar 1514 het aantal inwoners van het tweelingdorp Zoetermeer-Zegwaard nog slechts 660 bedroeg als gevolg van eerdere pestepidemieën in de 14e eeuw. Maar in 1622 was die bevolking al ruim 6 keer zo hoog: 3.800. In die periode draaide de economie hier bijna volledig om turf.
Maar eerst was er dus sprake van “droge” vervening waarbij het veen werd afgegraven tot het grondwater en zodra dat bereikt was werd er een nieuw stuk veen gezocht. Na 1530 echter werd in Holland een andere winningstechniek toegepast: het slagturven, ook wel de natte turfwinning genoemd. Slagturven is een vorm van turfwinning waarbij de hele, vaak meters dikke, veenlaag tot op de kleilaag werd afgegraven. In tegenstelling tot de droge turfwinning werd het veen feitelijk van onder de waterspiegel opgebaggerd. Dit Slagturven won snel aan populariteit. Dat was ook noodzakelijk want in de 14e en 15e eeuw was het veen dat in Holland hoog genoeg lag om afgestoken te worden al grotendeels weg gedolven terwijl de vraag naar die brandstof steeds meer toenam. De beschrijving van verschillende fasen van de productie van slagturf laat zien dat het een zeer arbeidsintensief procedé was met die al eerder genoemde baggerbeugel (Een houten stok met aan dat einde een ijzeren ring waaraan een grof net was vastgemaakt). Het zo uitgebaggerde veen werd op hoger gelegen ribben te drogen gelegd en daarna in blokken gesneden. Zo werden veengaten en sloten vaak meters diep tot op de kleilaag uitgebaggerd. Die ribben waarop het baggerveen dus te drogen werd gelegd werden ondergraven en ook steeds smaller. In 1561 werd daarom bepaald dat de ribben minimaal 3 meter breed moesten zijn en sloten maximaal 6 meter en 30 centimeter. In 1593 mochten de sloten al 9,5 m breed worden waardoor de ribben zo smal werden dat een ploeg er niet meer kon keren. Alleen gebruik als hooiland was nog mogelijk.
De groeiende turfproductie aan het begin van de Gouden Eeuw is duidelijk herkenbaar. Eerst in Zegwaart en later gevolgd door Zoetermeer. De Zegwaartse productie was tot 1670 zo rond de 200.000 ton per jaar. Deze productie eenheid is de Leidsche ton die gelijk stond aan 227 liter of wel aan ca. 200 turven. Zoetermeer produceerde toen ca. 300.000 ton per jaar. Een reiziger die in de zomermaanden van de jaren 1640 tot 1670 Zoetermeer en Zegwaart aan deed moet toen toeschouwer zijn geweest van een geweldige dynamische activiteit op het omringende platteland. Zo ver als de einder reikte was iedereen in de weer met baggeren, pletten en in plakken verdelen van de turf om ze vervolgens in bootjes te laden. Maar wat was dan de eindbestemming van al die turf? Een deel natuurlijk voor eigen gebruik van de veenders zelf en een ander deel ging naar huishoudens in de nabije steden voor het koken en verwarmen van huizen tijdens de winter. Het overgrote deel echter was voor de opkomende industrie in Delft (bierbrouwerijen en aardewerk), Leiden (textielfabricage zoals laken) en Gouda (Goudse pijpen en ook bierbrouwerijen). Vervolgens ook naar Rotterdam en Schiedam voor de jeneverstokerijen en suikerfabrieken want die gebruikten rietsuiker uit Latijns Amerika als basisstof en dat vergde veel energie.
Rond 1850 was de turfproductie in Nederland de hoogste aller tijden, maar stortte na 1880 volledig in als gevolg van de opkomst van nieuwe fossiele brandstoffen zoals steenkool en olie. In Zoetermeer en Zegwaart was de turfwinning aan het einde van de 17e eeuw al grotendeels voorbij, en werden de ontveende gebieden ingepolderd en drooggemalen. Voor de Zoetermeerse economie betekende die neergang gelukkig maar een tijdelijk economisch verval.
Meer info: www.geheugenvanzoetermeer.nl/canon. Reacties welkom op: info@oudsoetermeer.nl.













