
Canon : Zoetermeer en Zegwaart in de Franse tijd (2)
Actueel 608 keer gelezenZoetermeer - Tweewekelijkse rubriek over de 50 vensters van de Zoetermeerse Canon. Deze 19e bijdrage is geschreven door Lex Biemans.
In Zoetermeer gonsde het van de geruchten. Niet alleen vanwege de terugkeer in 1797 van de familie Osy met hun bedienden naar het nieuwe Huis te Palensteijn (zie deel 1). Kort daarna gebeurde er nog iets zeer verdachts waarvan aan de door de Franse bezetter ingestelde inlichtingen- en veiligheidsdienst melding moest worden gemaakt. Bij de herberg “De Reizende Man” (voorheen “De Jonge Prins”) in de Dorpstraat arriveerde namelijk op 10 augustus 1797 de Oranjegezinde steenbakker uit Nieuwekerk a/d IJssel, de heer De Lange. Ook meldde zich kort daarna de glazenmaker en meester-schilder Abraham Huibregts, ook een bekende Oranjeklant.
“De Jonge Prins” in Zoetermeer
Maar daar bleef het niet bij want weldra stopte voor de “Reizende Man” een luxe rijtuig en stapten 4 deftig geklede personen uit die ook de herberg binnen gingen. Dat bleef niet onopgemerkt want juist op hetzelfde moment kwam Gerritje Hekker, de 20 jarige dochter van de als anti Oranje bekendstaande familie Hekker voorbij. Haar vader Gerrit Hekker was toen de gerechtsbode van Zoetermeer en Gerritje vond het allemaal maar verdacht en lichtte de veiligheidsdienst in die dit doorgaf aan het Franse Comité Militair in Den Haag. Er werd meteen een aantal rechercheurs naar Zoetermeer gedirigeerd maar die kwamen te laat. Het deftige gezelschap was al met onbekende bestemming vertrokken. Men was er bijna zeker van dat zich in het gezelschap de jonge Prins Frederik van Oranje had bevonden, de tweede zoon van de gevluchte stadhouder Willem V. De rechercheurs raakten het spoor bijster en er werd niets meer van het gezelschap vernomen. De ambachtsbestuurders van Zoetermeer en Zegwaart waren tevens bestuurders van de Nieuw Drooggemaakte Polder. Toen ze in 1795 uit dat ambachtsbestuur werden gezet bleven ze nog wel in het polderbestuur want ze weigerden die over te dragen en startten zelfs een proces. Op 26 mei 1798 besliste het Hof van Justitie van Holland en Zeeland echter dat ze ook deze functie toch moesten overdragen en kregen tevens een zware last opgelegd. Zij mochten zich niet meer buiten hun woonplaats begeven en er werd bepaald dat zij bij de secretarie tegen betaling van 6 stuivers een “veertien dagen geldige vergunning” konden krijgen waarop ze zich slechts binnen 4 uur afstand van hun woonhuis mochten begeven.
Stemrecht en Burgerwacht
In 1795 had de mannelijke burgerij stemrecht gekregen in de vorm van een “Grondvergadering”. Op 4 februari van dat jaar besloot de Municipaliteit van Zegwaart om het hoofd van deze vergadering persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor alle besluiten die strijdig waren met de nieuwe orde van het “Uitvoerend Bewind der Republiek”. Na hevige protesten van die Grondvergadering werden de belasting ter aflossing van de geldlening aan de Hervormde Kerk, die door alle inwoners betaald moesten, ingetrokken. In 1798 beklaagde de Municipaliteit van Zegwaart zich ook bij het Provinciaal Bestuur over de gang van zaken op het belastingkantoor in Leiden want vanuit heel Rijnland moest men de belastingen in Leiden gaan betalen, terwijl op dezelfde belastingkantoor de organisatie zeer slechts was. Er moest vaak urenlang gewacht worden in een volgepropte ruimte voordat men de belasting kon voldoen. Om 12 uur sloot het kantoor weer en moest men onverrichter zaken weer huiswaarts keren. Het gebeurde soms wel 3 maal in de week dat men vergeefs van Zegwaart naar Leiden reisde. Dit probleem werd echter nooit opgelost. In 1798 verzochten de Municipaliteiten van zowel Zoetermeer als Zegwaart met het oog op de toenemende onveiligheid op de openbare wegen om een burgerwacht te mogen aanstellen. Dat verzoek werd ingewilligd en een burgerwacht van 65 man werd opgericht die werd onderverdeeld in 13 korporaalschappen. Elke nacht had een korporaalschap dienst van 10 tot 4 uur. Het wachthuis stond in Zegwaart aan het einde van de Dorpstraat aan de kant van de kerk. De wachtronde begon zodra de klapwaker “tien heit de klok, de klok heit tien” had geroepen. De wachtronde ging door de Vlamingstraat naar de Broekweg (nu de J.L van Rijweg) en vandaar naar het Lage Eind van Zegwaart (het deel van de Dorpstraat ten oosten van de Stationsstraat). Als bewijs dat ze de wachtronde volledig hadden gelopen moesten ze onderweg minstens 2 x een nummer in een gesloten bus deponeren op een adres aan het Lagereind.
Een onverwacht staartje
In de vorige aflevering lazen we over de schout en secretaris Prohn die na veel wanprestaties in Leiden 2 jaar gevangen (gegijzeld) zat. Hij was tegen die veroordeling in beroep gegaan bij het “Hof van Holland” maar werd ook daar weer veroordeeld en hij moest zelfs de kosten van zijn gijzeling en de hele rechtsgang zelf betalen. Maar helaas, op 16 oktober van dat jaar kreeg de gemeente Zegwaart een rekening gepresenteerd van maar liefst 970 gulden omdat die Prohn, zijn vrouw en zijn vier kinderen officieel armlastig hadden verklaard. Dus alle kosten moesten daarom door zijn oude woonplaats worden gedragen en niet door zijn nieuwe woonplaats Leiden. Tot zover de meest interessante gebeurtenissen in Zoetermeer en Zegwaart tijdens de Franse bezetting. Meer info: www.geheugenvanzoetermeer.nl/canon Reacties welkom op:
info@oudsoetermeer.nl.













