
De zintuigen van de egel
Actueel 2.121 keer gelezenZoetermeer - In deze rubriek schrijven kenners over de natuur. Deze week een bijdrage geschreven door vrijwilliger en bestuurslid Tije Fijen namens de egelopvang.
Egels hebben een fantastisch reukvermogen. Ze gebruiken het vooral om voedsel en soortgenootjes op te sporen. Een gezonde egel heeft altijd een vochtige neus. Het gehoor is eveneens uitstekend. Daar wordt handig gebruik van gemaakt tijdens de jacht op insecten. Egels kunnen zelfs ultrasone geluiden horen (meer dan 20.000 Hertz). Dit is waarom ze soms schrikachtig reageren op bepaalde geluiden.
Gezien de smak- en kauwgeluiden die een egel af en toe tijdens de maaltijd maakt, moet een egel wel over goed ontwikkelde smaakpapillen beschikken. Hij nuttigt liever een kevertje dan een pissebed. Kevertjes smaken veel beter.
Het gezichtsvermogen is niet erg goed. Daar egels nachtdieren zijn is dat van ondergeschikt belang. Vermoedelijk zijn onze stekelige vriendjes kleurenblind. De tastharen op de snuit (snorharen) zijn heel gevoelig, net als de neus. Ook op de flanken hebben egels een strook haren met een tastfunctie.
Egels bezitten nog een zesde zintuig: het ‘orgaan van Jacobson’. Hiermee worden onbekende stoffen of nieuwe geurtjes onderzocht. Het orgaan ligt tussen het gehemelte en neusholte. Eerst proeft of ruikt een nieuwsgierige egel de onbekende stof. Vervolgens produceert het diertje een flinke hoeveelheid schuimend speeksel. Heeft de egel eenmaal de ervaring verwerkt, dan spuugt hij het speeksel op zijn rug terwijl hij zich in de vreemdste bochten wringt. Met dit merkwaardig gedrag wordt het orgaan weer schoongemaakt. Het ‘orgaan van Jacobson’ komt ook voor bij o.a. slangen, honden en paarden. Waarom een egel alleen zichzelf en nooit zijn omgeving bespuwd, is nog niet opgehelderd.













